Ik begin

Ik begin. Weer. Opnieuw. Vanaf nu, zal ik iedere dag iets schrijven. Een paar regels maar, zoals deze regels, waarmee ik beschrijf hoe ik nu zit, achter mijn computer in mijn kamer met mijn blauwe vest aan met mijn neus naar de straat waar de tram om de tien minuten voorbij klingelt, en ik de letters op mijn toetsenbord indruk en weer weghaal met de knop backspace, om ze vervolgens opnieuw te laten verschijnen op het scherm voor mij dat geel licht geeft omdat ik dat ooit – een twee jaar geleden met kerst?- ingesteld heb, om ze opnieuw te laten verdwijnen op het scherm voor mij dat geel licht geeft omdat ik dat ooit – twee jaar geleden met kerst, ingesteld heb, net zolang, totdat, er iets staat waarmee ik kan beginnen.

Bietensap

In een café waar er suikerloze carrotcake en bietensap met gember wordt geserveerd, spreken een vriendin en ik af. We bestellen de bietensap en schuiven aan een tafeltje.

‘Hoe is het nou?’ fluister ik wanneer de drankjes voor ons staan. Er zijn slechts twee andere vrouwen in het café. Zij zitten aan een tafel een paar meter verderop en lezen een blad.
‘Gaat,’ fluistert mijn vriendin terug, ze neemt een slok van haar bietensap, ‘m’n shrink vindt dat het tijd is voor een ander.’
‘Waaat?’, roep ik uit. Ik zet mijn bietensap met een klap op de tafel en wil graag nog een keer ‘waaat’ uitroepen, maar de twee vrouwen kijken op.
Ik buig me voorover naar mijn vriendin. ‘Het is drie maanden uit!’ fluister ik.
‘Nouja, hij vroeg eigenlijk ook meer of ik al naar anderen keek,’ zegt de vriendin, ‘en kijken moet blijkbaar kunnen.’
Ik haal m’n schouders op. ‘Ik deed er een jaar over.’
‘Tja.’
‘En je shrink zei dit?’

Wanneer ik weer thuis ben, lees ik Een zwarte monnik, een kort verhaal van Tsjechov uit 1893. Het is een betamelijk langdradig verhaal over een intellectueel die Kovrin heet en aan psychoses lijdt waardoor hij een zwarte monnik ziet die hem zegt dat hij de uitverkorene is. Er is ook een appelboomgaard en een man die Jegor Semjonytsj heet en stukken schrijft over het omspitten van de grond van nieuwe tuinen, want het gaat allemaal niet goed met die gaard. Maar waar het mij om gaat: aan het eind van het verhaal overlijdt Kovrin aan tuberculose. Op dat moment is hij een jaar gescheiden van Tanja wie hij op het einde van hun huwelijk een wankelend skelet en een grote vergissing noemde.

En toch.

Wanneer Kovrin in een plasje opgehoest bloed op de slaapkamervloer ellendig ligt te sterven, roept hij niet zijn gloednieuwe vriendin Varvara aan (die twee meter verderop in zijn bed slaapt!), nee, hij roept Tanja aan, tot drie maal toe.

Tsjechov begreep het.

Cortisol

Omdat het zonnetje schijnt, loop ik in de ochtend een blokje rond. Het blokje is eigenlijk het park dat in een lus loopt, het is een achtje.

Tijdens de wandeling denk ik aan de nacht ervoor. In de kroeg schreeuwde een man in mijn oor dat veel van de verhalen die ik schrijf met iets eindigen wat niet op het stuk ervoor slaat. ‘Dan denk ik, waar gaat het over?’
‘Welke verhalen?,’ zei ik, ‘zeg maar, concreet gezien?’
Het deed allemaal een beetje pijn.
Hij wist het niet.

’s Avonds ben ik weer in het park. Nu loop ik geen achtje, maar ik doe een bootcamp met zeven andere vrouwen. Tijdens het muurzitten vertelt de vrouw die ons traint over een andere training die ze geeft, een training waarbij er cortisol wordt aangemaakt en waarbij er melkzuren verbranden.

‘Moet je daar heel sterk voor zijn?’ vraag ik. Ik strek mijn benen.

‘Je moet het vooral willen,’ zegt de vrouw, ’het is voor mensen die zichzelf echt een stukje verder willen brengen.’

Na afloop wandel ik weer naar huis.

Een man vroeg een vrouw ten huwelijk

Een man vroeg een vrouw ten huwelijk en de vrouw antwoordde met ja. Al kon het ook andersom zijn, dat de vrouw de man vroeg en de man instemde. Het was inmiddels vijfendertig jaar geleden en sinds die tijd was er heel wat gebeurd.

Wel waren de man en vrouw het er over eens dat het die avond van het aanzoek had geonweerd.

De vrouw herinnerde zich het eten bij de Chinees, de ober die alsmaar verkeerde drankjes serveerde en na afloop, de twee pandakalenders die ze boven hun hoofd hielden, terwijl ze door de onweersbui van het restaurant naar de bushalte renden.

‘Zijn schoenen waren nat, zijn broek was nat, zijn gezicht, zijn handen, behalve dat ene stukje kruin onder die kalender,’ vertelde de vrouw later graag op verjaardagen, ‘toen vroeg ik hem.’

De man wist zich ook de natte kleren voor de geest te halen, alleen meende hij dat ze zich die avond op een boerencamping vlak onder Toulouse hadden bevonden. In de slaapzak had hij de vrouw stevig tegen zich aangehouden, terwijl het tentdoek om de paar seconden werd verlicht. ‘Haar jurk plakte tegen mijn benen,’ zei de man later tegen zijn vrienden, ‘ze gaapte, ik zag haar gouden kies, toen vroeg ik haar.’

Omdat de man overleed, werd er een begrafenis georganiseerd. De vrouw trok haar mooiste jurk aan en liet zich door haar kinderen naar de begraafplaats leiden. ‘Hij stond in de tuin de clematis te snoeien, ik wilde thee zetten,’ zei de vrouw tegen haar oudste zoon, ‘toen ik bij hem aankwam, was hij weg.’

Haring

De man in de kroeg wiens handen ik heb vastgepakt en wiens lippen, oren en nek ik heb gezoend, blijkt kinderen en een vrouw te hebben. Hij vertelt het wanneer we bij de fietsen afscheid nemen – ‘Ik wil wel graag met je afspreken, maar het zal niet ongecompliceerd zijn.’ Ik zeg dat ik er even over moet nadenken.

De volgende ochtend ga ik op bezoek bij een vriendin die een baby heeft gekregen. Ik vertel haar over de man, over zijn handen en zijn ogen. De vriendin luistert, legt ondertussen de baby aan de borst.

Wanneer de baby slaapt bekijken we de bevallingsvideo die de vriend van de vriendin heeft opgenomen. De camera zoomt in op het gezicht van de vriendin, haar borsten en haar benen. ‘Persen! Persen! Persen!’ schreeuwt een vrouw. Het gezicht van de vriendin vertrekt. Een rommelig stuk vlees schiet tussen haar benen naar buiten.

Wanneer ik weer opstap, bedenk ik me dat ik haring heb meegenomen.
‘Voor de ouders,’ zeg ik, wanneer ik de bak uit mijn tas haal, ‘voor ieder twee.’

‘Lekker!’ zegt de vriendin wanneer ik een haring voor haar bereid, ‘wil je er niet eentje van mij?’

Ik bedank.

Elle

Gistermiddag in de tuin, ik lig op de bank te doezelen in het laatste restje zon, krijg ik een app van een vriendin met het bericht dat haar relatie over is, na zes jaar. Haar vriend heeft het uitgemaakt, schrijft ze, de relatie heeft hem teveel gekost, ze zit nu bij haar ouders, ze is in één ochtend een veertigjarige vrijgezel geworden, zonder huis en zonder kinderen. Ik stuur haar een rij huilende emoticons terug.

’s Avonds ga ik naar de bioscoop om Elle van Paul Verhoeven te zien. In deze film wordt een vrouw in haar huis door een overvaller verkracht. De vrouw is de baas van een ontwerpbureau voor gewelddadige computergames en dochter van een seriemoordenaar. Ze gaat niet naar de politie na de verkrachting, maar gooit haar jurk in de prullenbak en voert zelf een onderzoek uit.

Vaak durf ik niet te kijken en plaats mijn handen voor mijn ogen, met als gevolg dat ik een groot gedeelte van de film tussen de spleten van mijn vingers zie. Ik zie dat de vrouw de verkrachter ontmoet, ik zet mijn vingers op een kier, ik zie dat ze hem in huis haalt, ik zet mijn vingers op een kier, ik zie dat hij wordt gedood, ik laat mijn handen zakken.

Op de terugweg naar huis bel ik mijn moeder en vertel haar over de vriendin. Zij zegt dingen als ‘dit zijn de drama’s van het leven’ en ‘niets is zeker’. Mijn moeder verliet mijn vader toen ze veertig was. Pas geleden zijn ze weer getrouwd. Ze hielden een groot feest in de tuin, mijn moeder droeg een zacht roze jurk, mijn vader had zijn beste pak aan.

Russische tuin

Het was zo’n lente waarbij de kastanjebomen in het park zich van de een op de andere dag in bloesem tooiden, roze, witte, okergele kaarsjes gloeiend tussen zacht ritselend gebladerte, waarop het park vanaf dat moment door de stadsbewoners de Russische tuin werd genoemd, al wist niemand precies waarom, er was niets Russisch te vinden in het hele park, zelfs geen steen of bloem.

Het was zo’n lente waarbij ik regelmatig door ‘de Russische tuin’ struinde, wandelend door het rozenperk, slalommend op mijn rollerskates tussen de dagjesmensen en toeristen, vaders met kinderwagens, moeders op snelle fietsen, terwijl ik bij iedere man die ik tegen kwam, een copulatie voorstelde.

Ik hoefde maar in een paar donkere ogen te kijken en ik zag voor me hoe we op het dichtstbijzijnde arboretum luid de liefde bedreven, mijn rug hol gebogen, zijn buik tegen mijn billen, mijn dijbenen rond zijn heupen, mijn handen op zijn borstkas, zijn borstkas op mijn borsten, onze lichamen gevouwen, verstrengeld als twee verknoopte blauwe regens.

Het was de lente dat mijn vader overleed en ik de dag na zijn dood met de begrafenisondernemer in het halletje bij de trap stond uit te vogelen hoe we in godsnaam mijn vader vanuit de slaapkamer naar beneden konden krijgen. De trap had geen open balustrade en de overloop was nogal klein.

‘Ach nu ik zie het,’ zei de begrafenisondernemer nadat hij de deurpost had opgemeten en een paar stappen voor en achterwaarts in de slaapkamer had gezet. ‘De hoek is te scherp.’ Hij stak de rolmaat terug in zijn borstzak. ‘Een kist van twee meter kan onmogelijk een hoek van vijfentachtig graden maken in een ruimte van anderhalf bij twee.’ Hij ging op zijn rug liggen om het te demonstreren. ‘Zie?’
Ik knikte. Zijn lichaam maakte inderdaad een flinke bocht. Waar zijn hoofd en romp nog keurig recht in het halletje lagen, maakte zijn heup een draai bij de deurpost. Wanneer hij zijn benen recht wilde leggen, stootte hij zijn knieën tegen de deur.
‘We zullen uw vader dus vanuit het bed eerst op een brancard moeten binden en hem rechtop in het halletje zetten. Vanuit die staande positie kunnen we hem schuin de trap af laten hellen.’
Hij stond op en klopte wat stof van zijn broek.
‘Daarna lukt het wel.’

Tijdens de begrafenis schudde ik vele handen. We stonden op een zonovergoten grasveld ver buiten de stad, met links een lange rij kastanjebomen, regelmatig afwisselend in witte en roze tooi. De begrafenisondernemer knikte me tijdens het zakken van de kist bemoedigend toe. Mijn knieën, heup, rug, schouders en nek hield ik in een aanhoudende lijn recht boven mijn voeten.

 

Dit verhaal las ik voor op Amsterdam FM. Luister hier.

Berg

Voor Echt Gebeurd bel ik met een man die een verhaal wil komen vertellen over een fietstocht die hij heeft gemaakt.

Het verhaal gaat zo: de man fietst in zijn eentje van Denemarken naar de Waddeneilanden, het is een verschrikkelijke tocht, want het regent voortdurend en hij heeft bijna iedere dag een lekke band. Ook wordt hij op een nacht bestolen. Na de tiende lekkende band overweegt hij te stoppen, hij dwaalt wat rond in een leeg stadje, loopt dan langs een trein die hem naar huis kan brengen. ‘Toen pas zag ik mijn echte vijand,’ zegt de man, ‘niet de regen, niet de lekken banden, maar die trein, want wanneer ik deze trein naar huis zou nemen, wist ik dat ik alles zou gaan missen: de fjorden, de wadden, die overweldigende natuur.’

De man vertelt goed, hij heeft een donkere stem, af en toe laat hij een stilte vallen. Ik vraag me af hoe hij eruit ziet.

Toch ben ik verbaasd wanneer hij eindigt. Een man fietst na een zee aan tegenslagen toch zijn tocht uit. Is dat het verhaal? Ik vraag de man na te denken waarom het voor hem zo belangrijk is om niet te stoppen.

Een dag later spreek ik de man weer. Hij zegt: fietsers stoppen niet zomaar, die willen altijd doorgaan, net als bergbeklimmers, wanneer je een bergbeklimmer voor een berg zet en je vraagt hem waarom hij deze berg moet beklimmen dan zegt hij: ‘omdat de berg er staat.’

Ik probeer nog wat te vragen over vroeger, hoe zijn ouders waren, waarom hij is gaan fietsen, maar na een tijdje zegt hij, ik weet niet waar je naar toe wilt.

Ik besluit de man naar een collega door te schuiven, misschien weet zij raad.

De volgende dag bel ik de man toch weer op. ‘Helaas, het verhaal speelt zich te intern af, zeg ik, ‘er is te weinig handeling.’

Ik lieg, want er is iets anders aan het verhaal wat me afstoot, iets wat ik op dat moment niet onder woorden kan brengen.

Kryptonite.

Pad

Vannacht kwam ik een pad tegen in het Vondelpark.

Ik fietste van een avond lindyhoppen naar huis. De bigband had ‘A –tisket a –tasket’ gespeeld, er waren mannen in pak geweest die me ten dans hadden gevraagd, op de dansvloer had ik een aantal vloeiende swing-outs gedraaid.

Ik nam de lange route door het park, zwierde langs het oude filmmuseum, het arboretum, het kinderspeltuintje, de rozentuin en dacht aan de andere dansfeesten die gegeven zouden worden en waar ik me voor had opgegeven. Spring is here, overal rook het naar boom en gras, tot dat hij voor me opdoemde in het licht van een lantaarnpaal, groot, zwart en glimmend, – de pad-, ik kon nog maar net uitwijken.

Ik zette mijn fiets op de standaard en liep op de hem af. ‘Dit is geen plek voor jou, zo midden op de weg.’ Ik bukte om mijn handen over de pad te leggen, hem op te pakken en naar de waterkant te brengen, maar op dat moment kwam er een andere fietser de hoek om. Hij zag mij te laat. Hij draaide aan zijn stuur. ‘Trut!’, mompelde hij, terwijl hij weer opkrabbelde.

Ik keek naar de pad, die tijdens dit hele gebeuren zich onder mijn handen niet had verroerd. Ik legde mijn linkerhand over zijn rug, mijn rechterhand onder zijn poten, en bracht hem naar het water.

Het laatste stuk van het Vondelpark keek ik naar het asfalt. Op de stukken zonder lantaarnverlichting, waren ze bijna niet te tellen. De grote uitgesmeerd vlekken, van minstens een halve meter. Spring is here.

Dit verhaal was te horen bij Amsterdam Light op Amsterdam FM. Luister hier.